Sahelanthropus tchadensis 2.

Nieuwe feiten over Sahelanthropus tchadensis.

In de vorige blog had ik het over de schedel van onze oudste voorouder, Sahelanthropus tchadensis. Daarin stel ik dat die schedel van 7 miljoen jaar oud beschikt over een meer naar de onderzijde verplaatst achterhoofdsgat (de plaats waar de nek en de schedel samenkomen) en dat dit een eigenschap is die erop duidt dat deze voorouder regelmatig meer rechtop heeft gelopen. Hoe mooi dit ook is, het blijft een enigszins indirecte aanwijzing. Deels rechtop lopen kan er wel uit worden afgeleid, maar kan er niet rechtstreeks aan worden afgelezen. Dat is jammer.

Nu wil het toeval dat vlak bij de schedel ook een fossiel dijbeen is gevonden. Dat is mooi, want een compleet dijbeen kan wel directe informatie verschaffen over de wijze van voortbewegen. Vooral als de kop ervan, het deel dat aangrijpt op de kom in het bekken, intact is gebleven. Merkwaardig genoeg is dit dijbeen nooit goed onderzocht als gevolg van strijd tussen verschillende betrokken wetenschappers. Wetenschappers zijn kennelijk ook maar mensen, waaruit we kunnen afleiden dat wetenschap bedrijven eerder een houding dan een opleiding of professie zal zijn.

Hoe dan ook, bijna 20 jaar nadat het is gevonden, is het dan eindelijk fatsoenlijk onderzocht. Dit onderzoek is getiteld Nature and relationships of Sahelanthropus tchadensis en is pas in september 2020 geaccepteerd door het Journal of Human Evolution. Omdat 400.000 GENERATIES al eerder was verschenen kon deze informatie er niet in worden opgenomen. Iets dergelijks zal in de toekomst nog wel vaker gebeuren. Daarom besteed ik er nu in deze blog uitvoerig aandacht aan.

Het dijbeen van Sahelanthropus tchadensis.

Allereerst moet worden opgemerkt dat de kop van het dijbeen helaas ontbreekt. Op het plaatje hiernaast is dat zichtbaar, linksboven had een uitloper met kop moeten zitten. Dat is buitengewoon spijtig, want daaraan kan zoals gezegd het gemakkelijkst worden afgelezen hoe de voormalige eigenaar zich gewoonlijk heeft voortbewogen. De onderzoekers concentreerden zich daardoor noodgedwongen op de vorm van de rest van het dijbeen en vergeleken dat met die van andere fossiele voorouders (onder meer Orrorin tugenensis) en moderne mensapen (orang-oetan, gorilla en chimpansee). Ze vonden het volgende. Het dijbeen is allereerst anders dan álle dijbenen waarmee het vergeleken is en kan dus niet glashelder aan één van die soorten worden toegeschreven. Ten tweede lijkt het dijbeen meer op dat van een moderne chimpansee dan van een moderne volledig rechtop lopende mens. De voormalige eigenaar liep dus niet volledig rechtop zoals wij dat doen, maar bediende zich ook niet van de knokkelloop zoals een chimpansee. Dat is een heel belangrijke conclusie die we even goed vast moeten houden.

Vervolgens maken de onderzoekers een grote denkfout. Ze stellen dat een rechtop gehouden lichaam en het gewoonlijk rechtop lopen als criteria moeten worden aangehouden om te beoordelen of een fossiel moet worden geplaatst in de menselijke tak of niet. Vervolgen stellen ze dat daarvan bij dit dijbeen voor zover zichtbaar geen sprake lijkt te zijn en daarom mag het fossiel niet als menselijk worden gezien. Ze gaan op grond hiervan zelfs zover ook de schedel met het verplaatste achterhoofdsgat als niet menselijk te beschouwen. Wat het dan wel is laten de onderzoekers in het midden. Vanuit een modern menselijk perspectief lijkt het best logisch volledig rechtop lopen als een criterium voor menselijkheid aan te houden, maar vanuit een biologisch perspectief, het enige perspectief dat geoorloofd is als het gaat om een reconstructie van de biologische geschiedenis van een soort, is eerder het tegendeel het geval. Om dat te verduidelijken maken we even een klein uitstapje naar de evolutiebiologie.

Soortvorming

Volgens Charles Darwin ontstaan soorten op het moment dat ze zich afsplitsen, iets dat hij heel beeldend omschreef als bomen die zich in het groeiproces vertakken. Elke tak representeert een soort die zich van andere takken heeft afgesplitst. Later heeft men ingezien (Ernst Mayr was een belangrijke wetenschapper in dat opzicht) dat soortvorming bij zich seksueel voortplantende soorten zoals wij gepaard moet gaan met reproductieve isolatie. Met die term wordt bedoeld dat de populatie van de ene soort zich niet meer door paring mag mengen met de populatie van de andere soort om van verschillende soorten te kunnen spreken. Dit is erg logisch, bij vermenging van populaties verwateren namelijk specifieke eigenschappen en wordt soortvorming in de kiem gesmoord.

Voor ons mensen betekent dit dat soortvorming heeft plaatsgevonden nadat er in onze tak een eigenschap was geëvolueerd die verhinderde dat onze voorouders zich nog met de voorouders van de chimpansee vermengden. De kunst is nu om te achterhalen wat die eigenschap dan precies was. Dat valt niet mee, daar kunnen we eerlijk over zijn, maar het is wel de taak waarvoor de wetenschap zich logischerwijs gesteld ziet. Het kan in principe van alles zijn. Rechtop lopen, maar net zo goed iets anders, zoals een naakt lichaam, monogaam paargedrag, taal of grote hersenen, om er maar een paar te noemen. Alles is in principe mogelijk zolang maar duidelijk wordt onder welke selectiedruk die allereerste menselijke eigenschap evolueerde en op welke wijze het vermenging met de chimpansee in de weg stond. Het betekent ook dat alle eigenschappen die ná de soortvorming van de mens zijn geëvolueerd per definitie als menselijk moeten worden gezien. Ze ontstonden immers nadat de menselijke tak al was uitgelopen.

Al deze vragen worden door de wetenschappers in het artikel niet gesteld en uiteraard ze geven er ook geen antwoord op. Ze stellen slechts zonder argumenten dat volledig rechtop lopen ons als mens definieert. Rechtop lopen is zeker typisch voor ons, maar daar gaat het hier niet om. De vraag is welke éérste eigenschap ons reproductief isoleerde van de chimpansee en hoe de onmiskenbare veranderingen in de voortbeweging zich daartoe verhouden. Gingen die aan de soortvorming vooraf en stonden er verder los van, waren het juist de eigenschappen die direct tot soortvorming leidden of verschenen die veranderingen pas nadat de soort al eerder gevormd was.

Wel degelijk onze oudste voorouder

In 400.000 GENERATIES maak ik aannemelijk (bewijs is helaas onmogelijk, in de blog “de evolutie van de mens verklaard???” leg ik dat uit) dat de mens zich 7 miljoen jaar geleden reproductief isoleerde van de chimpansee door het verlies van de vacht. Als gevolg van wijzingen in de selectiedruk volgden daarna eerst een vijftal andere nieuwe eigenschappen en pas daarna evolueerde een aangepaste voortbeweging. Een voortbeweging die niet alleen geschikt was voor intensievere grondbewoning, maar óók, en dat is een heel voornaam punt, voor het oude vertrouwde klimmen in bomen. Onze oudste voorouders evolueerden namelijk in het bos. De bomen boden voedsel en veiligheid en die waren om meerdere redenen onontbeerlijk voor hen. Dat ze desondanks toch meer op de grond moesten leven heeft heel bijzondere oorzaken die samenhangen met het verlies van de vacht. Pas op de savanne gingen onze voorouders volledig rechtop lopen, maar dat was 5 miljoen jaar na ons ontstaan. In 400.000 GENERATIES lees je er alles over.

De betekenis hiervan is dat alle Afrikaanse fossielen met een ouderdom tussen de 7 en 2 miljoen jaar oud met eigenschappen die duiden op een vorm van voortbeweging die het midden houdt tussen die van de moderne chimpansee en de moderne mens, heel nadrukkelijk moeten worden gezien als menselijk. Ze moeten worden toegeschreven aan voorouders in de menselijke tak, omdat het eigenschappen zijn die volgden op een eerder geëvolueerde eigenschap die ons reproductief van de chimpansee isoleerde.

Zo bevestigt het fossiele dijbeen van Sahelanthropus tchadensis de reconstructie zoals die in 400.000 GENERATIES is opgesteld. Alle fossielen van deze soort, dus ook de schedel, moeten vanwege hun eigenschappen worden toegeschreven aan de oudste voorouders in onze tak. Vooral de samenhang tussen de eigenschappen van de schedel en het dijbeen is belangrijk, ze versterken elkaar. Dit verhaal maakt nog maar eens duidelijk hoe ongelofelijk belangrijk het is zo precies, biologisch zuiver en consequent mogelijk te redeneren. Het bracht mij tot de conclusie dat de reconstructie van de evolutie van de mens of een willekeurige andere soort nooit vrijblijvend mag zijn, maar in principe net zo exact moet zijn als de celbiologie of de genetica. Niet voor niets zijn dit allemaal takken aan de dezelfde stam van deze wetenschappelijke discipline. Noblesse oblige.

Reageren

Heb je vragen? Stel ze via het contactformulier op de website. Elke vraag is welkom en je krijgt altijd antwoord. Benieuwd naar andere blogs? Bekijk de blogpagina en lees ze allemaal. 

Bestel 400.000 GENERATIES eenvoudig via de knop hieronder. Voor slechts €17,50 heb je het de volgende dag in huis. Geen geld voor het verhaal van ons allemaal!